Spiritualiteit

De Nag Hammadi geschriften

De Nag Hammadi geschriften zijn een verzameling manuscripten uit de vierde eeuw na Christus. Sinds hun ontdekking in 1945 hebben deze geschriften al heel wat stof doen opwaaien. Ze bevatten namelijk alternatieve interpretaties van Bijbelse verhalen en de rol van Jezus Christus.

Velen hebben hierin een aanleiding gezien om de boodschap van de Bijbelse geschriften in twijfel te trekken. Maar is het redelijk om zoveel gezag toe te kennen aan de Nag Hammadi geschriften?

Ontdekking van de Nag Hammadi geschriften
De Nag Hammadi geschriften zijn in 1945 bij toeval ontdekt aan de voet van het Jabal al-Tarif massief, enkele kilometers buiten de stad Nag Hammadi in Midden-Egypte, aan de rivier de Nijl. Na decennia van onderzoek verschenen vanaf 1975 voor het eerst Engelse vertalingen, die de geschriften toegankelijk maakten voor een groter publiek.

Maar velen werden er voor het eerst op gewezen door het lezen van de wereldwijde bestseller De Da Vinci Code van de Amerikaanse schrijver Dan Brown. Daarin wordt naar de Nag Hammadi geschriften verwezen om de authenticiteit van de Bijbelse evangeliën in twijfel te trekken.

Inhoud van de Nag Hammadi geschriften
De Nag Hammadi verzameling bestaat uit dertien codices (gebonden boeken, geen boekrollen). Bij elkaar bevatten ze tweeënvijftig geschriften, waarvan zes duplicaten, dus in totaal zesenveertig verschillende geschriften. Het zijn koptische vertalingen uit de vierde eeuw, van oorspronkelijk Griekse teksten.

De meeste daarvan waren tot nog toe onbekend. De geschriften zijn inhoudelijk heel divers, zowel qua literaire stijl (gebeden, brieven, dialogen, allegorieën, ontstaansmythen, openbaringen), alsook qua theologische en filosofische standpunten (voornamelijk van gnostische maar ook enkele van niet-gnostische aard).

Een overzicht van de Nag Hammadi Codices  is te vinden aan het einde van dit artikel. Het overzicht vermeldt van elk geschrift de door experts geschatte datering van het Griekse origineel, en de boodschap. In de nu volgende paragrafen geven we daarvan een samenvatting en vergelijken we de dateringen en boodschappen met die van de Bijbelse geschriften.

Datering van de Nag Hammadi geschriften
De oorspronkelijke teksten van de Nag Hammadi geschriften stammen vrijwel allemaal uit de tweede en derde eeuw van onze jaartelling, of zelfs van nog later datum zijn. Dat betekent dat ze zijn geschreven door mensen die Jezus niet persoonlijk hebben gekend, noch zijn eerste volgelingen. Het feit dat sommige van deze geschriften gaan over de apostelen, of zelfs hun namen in de titel dragen, doet daar niets aan af.

Slechts enkele van de geschriften worden in de titel aangeduid als ‘evangelie’. Alleen het Evangelie van Thomas (Nag Hammadi Codex II.2) heeft volgens sommige historici eerste-eeuwse wortels, maar zelfs daarover bestaat grote onzekerheid. Bovendien is dat geschrift geen evangelie in de gebruikelijke zin (een verslag over het leven, de leer, en het verlossingswerk van Jezus Christus). Het is een lijst van in totaal 114 losse uitspraken die aan Jezus worden toegeschreven, waarvan er velen nogal raadselachtig zijn.

Datering van de Bijbelse geschriften
Verreweg de meeste historici zijn het erover eens dat de geschriften van het Nieuwe Testament allemaal stammen uit de tweede helft van de eerste eeuw van onze jaartelling. De evangeliën van Matteüs, Marcus, en Lucas zijn vrijwel zeker geschreven in de periode 50-80, en die van Johannes in de periode 80-100. De brieven van de apostel Paulus, waarvan de boodschap overeenstemt met deze evangeliën, komen uit de jaren 50-70.

Anders gezegd, de Nieuw Testamentische geschriften dateren van een kleine twintig tot hoogstens zeventig jaar na het leven van Jezus op aarde. Al deze geschriften zijn opgesteld door mensen die Jezus en/of zijn directe volgelingen persoonlijk hadden meegemaakt. En de eerste lezers van deze geschriften konden de verhalen in die periode nog zelf natrekken bij ooggetuigen.

Omdat deze geschriften van veel vroeger datum zijn, is het niet meer dan redelijk om eerst eens te luisteren naar hún boodschap. Daarna kijken we naar wat de Nag Hammadi geschriften ons te vertellen hebben.

Boodschap van de Bijbelse geschriften
De eerste-eeuwse geschriften van het Nieuwe Testament, samen met de nóg oudere geschriften van het Oude Testament van de Bijbel, geven een duidelijke, consistente en eenvoudige boodschap aan de mensheid:

God heeft de mens in het begin goed en naar zijn beeld geschapen, met een vrije wil om tot eer van hem te leven. Maar door hoogmoed is de mens opstandig geworden tegen God. Door de zonde kwam de dood, waarvan we de gevolgen nog elke dag kunnen zien, en die we van generatie op generatie doorgeven.

De schuld die wij tegenover de oneindig heilige God hebben kan onmogelijk door onszelf worden betaald (wat hebben wij God immers te bieden? we maken onze schuld dagelijks alleen maar groter). De enige die de mens zou kunnen redden van de eeuwige dood is God zelf. En dat heeft hij inderdaad gedaan. In de persoon van Jezus Christus (door zijn volgelingen de Zoon van God genoemd) kwam hij naar ons toe en nam de schuld op zich.

Boodschap van de Nag Hammadi geschriften
De hoofdzakelijk tweede- en derde-eeuwse geschriften van de Nag Hammadi verzameling zijn afkomstig uit verschillende gnostische stromingen (met name het sethianisme, het valentinianisme, en het hermetisme). Ook vertonen ze invloeden van Grieks-filosofische stromingen (zoals het stoïcisme, het platonisme, en het pythagorianisme). De theologische en kosmologische systemen die deze geschriften verkondigen zijn onderling niet altijd consistent en bovendien aanzienlijk ingewikkelder dan de boodschap van de Bijbel.

Waarin de Nag Hammadi geschriften wél met elkaar overeenstemmen is de (impliciete) ontkenning van Jezus Christus als de enige weg tot God. Volgens deze geschriften kwam Jezus niet om in onze plaats te lijden en te sterven, en de schuld te betalen, maar was hij slechts een wijsheidsleraar die hielp om de ‘Christus’ (de goddelijke geest) in onszelf te leren ontdekken.

Ken uzelf is hier het credo.
En door zichzelf te kennen leert de mens God kennen. Dat is de weg van gnosis. Die kennis is niet van buitenaf aan te leren, maar kan slechts van binnenuit worden opgewekt. De gnostische geschriften dienen daarbij tot hulp.

Deze boodschap staat haaks op wat de Bijbel leert. Volgens de Bijbelse evangeliën is het eeuwige leven met God ‘gratis’ beschikbaar door het verlossingswerk van Jezus Christus. Het kan eenvoudigweg verkregen worden door in hem te geloven.Jezus zelf verwees naar dat eeuwige leven als het koninkrijk van de hemel, en vergeleek het met een parel (Matteüs 13:45-46).

Conclusie
Net als in De Da Vinci Code  worden alternatieve ‘christelijke’ geschriften vaak gretig aangegrepen om de Bijbel in diskrediet te brengen en het christendom af te wijzen. Maar de besproken analyses door experts maken duidelijk dat de Nag Hammadi geschriften niet voor dat doel kunnen worden gebruikt.

De Nag Hammadi geschriften getuigen slechts van de vele dwalingen die er in de eerste eeuwen na Jezus ontstonden door versmelting van zijn leringen met heidense mythen en filosofieën. De boodschap van deze geschriften is in essentie dezelfde als die van vele andere religies: de mens moet zélf de weg naar God terugvinden. En het leven van Jezus dient daarbij hoogstens ter inspiratie.

Net als in de eerste eeuwen van het christendom ontstaan ook tegenwoordig steeds weer nieuwe stromingen, kerken, en sektes. Vaak introduceren ze nieuwe geschriften en gebruiken, waarvan in de Bijbel weinig tot niets is terug te vinden.Wat dat betreft is er weinig veranderd in de afgelopen tweeduizend jaar.

Bronnen
Marvin Meyer (editor). The Nag Hammadi Scriptures: The International Edition. The Revised and Updated Translation of Sacred Gnostic Texts. Harper Collins, New York, NY, USA, 2007. Met bijdragen van vele wetenschappers en een inleiding door de editor samen met de religieus historicus Elaine Pagels. De samenvatting hieronder is gebaseerd op deze uitgave.

Jacob Slavenburg & Willem Glaudemans. De Nag Hammadi Geschriften. Een integrale vertaling van alle teksten uit de Nag Hammadi Codices en de Berlijnse Codex. Uitgeverij Ankh-Hermes BV, Deventer, 2004.

Claremont Colleges Digital Library (CCDL). Nag Hammadi Archive. De afbeelding aan het begin van dit artikel komt uit het CCDL archief. Het is onbekend wie de oorspronkelijke foto heeft gemaakt. Het CCDL stelt de afbeelding beschikbaar onder de Fair Use Act van de U.S. Copyright Law.

Michael Green. The Books the Church Suppressed: Fiction and Truth in The Da Vinci Code. Monarch Books, Oxford, UK, 2005.

Josh McDowell. The New Evidence that Demands a Verdict: Evidence I & II Fully Updated in One Volume to Answer Questions Challenging Christians in the 21st Century. Thomas Nelson, Nashville, TN, USA, 19

Nag Hammadi Codex I

  1. Gebed van de Apostel Paulus (begin tweede eeuw). Een kort geschrift bestaande uit een gebed om genade, verlossing, en zegen. Het staat opgetekend in naam van de apostel Paulus maar kan gezien de datering onmogelijk afkomstig zijn van de Bijbelse Paulus. Dezelfde kanttekening is overigens van toepassing op alle Nag Hammadi geschriften waarvan de titels verwijzen naar Bijbelse figuren. De namen van de apostelen werden vaak gebruikt om gezag af te dwingen.
  2. Geheime Boek van Jakobus (eind tweede of begin derde eeuw, in Egypte, vermoedelijk Alexandrië, in een geestelijk milieu dat afstevende op een breuk met de officiële kerk). Een brief aan een onbekende geadresseerde, waarin verslag wordt gedaan van een vermeende geheime openbaring van Jezus aan Jakobus en Petrus, om hen te ‘vullen’ (in gnostische zin). Jakobus lijkt daarvoor ontvankelijk maar Petrus toont geen begrip. De twee staan mogelijk symbool voor de gnostische gemeenschap tegenover de orthodoxe kerk.
  3. Evangelie der Waarheid (midden tweede eeuw). Een geschrift dat vermoedelijk afkomstig is uit de begintijd van de gnostische beweging van Valentinus. Geen evangelie in gebruikelijke zin (de blijde boodschap over de leer, het leven, en het verlossingswerk van Jezus Christus), maar een verhandeling óver het evangelie. Het geeft een dubbelzinnige interpretatie (een mix van historische en mythische elementen) van het goede nieuws van de komst van de Verlosser op aarde en de door hem verkondigde boodschap aan de mensheid.
  4. Verhandeling over de Opstanding (tweede helft tweede eeuw). Een brief van een onbekende auteur aan ene Rheginus, over de leer van de opstanding. De leer over de twee naturen van de Verlosser (goddelijk en menselijk) stemt overeen met de Bijbelse evangeliën. De redding is volgens dit geschrift echter niet de verlossing uit de zondige toestand van de mens (de geestelijke dood), maar de verlossing (opstanding) van de geest uit de materiële wereld (het lichamelijke bestaan). Een typisch gnostische gedachte.
  5. Drievoudige Verhandeling (tweede helft derde eeuw). Een uitgebreid geschrift afkomstig uit het oosterse valentinianisme. De titel (niet oorspronkelijk) is ontleend aan het feit dat het geschrift uit drie delen bestaat. Het eerste deel handelt over de Vader, de Zoon, de pre-existente Kerk, en het ontstaan van de kosmos. Het tweede (vrij korte) gedeelte gaat over de schepping van de eerste mens, zijn overtreding, en zijn verbanning uit het paradijs. Het derde gedeelte beschrijft de vele meningen over de aard van de kosmos, de komst van de Verlosser, de instelling van de aardse kerk, en het lot van de verschillende categorieën mensen.

Nag Hammadi Codex II

  1. Geheime Boek van Johannes (midden tweede eeuw). Bevat de vermeende geheime leringen die Jezus na zijn opstanding zou hebben geopenbaard in een verschijning aan Johannes, zoon van Zebedeüs. Het begint met een monoloog door de Verlosser over de theogonie (het ontstaan van het godendom) en kosmogonie (het onstaan van de kosmos). Daarna volgt een dialoog tussen hem en Johannes over de antropogonie (het onstaan van de mensheid) en soteriologie (leer over de redding van de mensheid). Dit is een van de meest bekende van alle geschriften afkomstig uit het sethianisme, een gnostische sekte met een leer die zich het beste laat omschrijven als een versmelting van hellenistische mythologieën en concepten uit het Oude Testament. Er wordt zelfs verwezen naar het boek van Zoroaster.
  2. Evangelie van Thomas (midden tweede eeuw, hoewel sommigen geprobeerd hebben een eerste-eeuwse datering aannemelijk te maken). Geen evangelie in de gebruikelijk zin (de blijde boodschap over de leer, het leven, en het verlossingswerk van Jezus Christus), maar een verzameling van honderdveertien losse, zogezegd geheime uitspraken die aan Jezus worden toegeschreven. Ongeveer de helft daarvan lijkt sterk op teksten uit de Bijbelse evangeliën. Anderen zijn nieuw. Velen daarvan zijn raadselachtig en laten ruimte voor creatieve interpretatie door de lezer. Volgens het boek zal degene die de ware betekenis van de uitspraken vindt de dood niet smaken.
  3. Evangelie van Filippus (eind tweede of begin derde eeuw). Net als het Evangelie van Thomas geen evangelie in de gebruikelijke zin van het woord, maar een ongeorganiseerde verzameling uitspraken en meditaties van verschillende genres (gelijkenissen, vermaningen, aforismen, vertellingen van dialogen). Vertoont sporen van verschillende gnostische tradities. Dan Brown verwijst in De Da Vinci Code naar een passage uit dit evangelie, waaruit zou blijken dat Maria Magdalena de vrouw van Jezus was, en dat zij vaak door hem op de mond werd gekust. Het manuscript bevat echter gaten in deze passage, waardoor het onduidelijk is wat er werkelijk heeft gestaan, en elke interpretatie als een bevooroordeelde speculatie moet worden beschouwd.
  4. Wezen van de Machten (eind tweede of begin derde eeuw). Een korte, gnostische verhandeling over de realiteit en de aard van de heersende machten achter de schermen van de wereld. Het eerste deel is een sethiaanse vertolking van het scheppingsverhaal uit het Bijbelboek Genesis. In het tweede deel gaan de machten op zoek naar Norea (dochter van Adam en Eva) om haar te verleiden. In antwoord op haar hulproep tot God verschijnt het lichtwezen Eleleth, die haar nader inzicht geeft in de aard van deze machten.
  5. Over de Oorsprong van de Wereld (eind derde of begin vierde eeuw, maar mogelijk gebaseerd op eerder, tweede-eeuws materiaal). Een toegankelijke verhandeling over allerlei aspecten van het gnostische wereldbeeld. Gaat in het bijzonder in op het ontstaan van de scheppende machten, de schepping van de wereld, het ontstaan van de mensheid, de val van de mensheid (een alternatieve vertolking van het relaas in het Bijbelboek Genesis), en het einde der tijden.
  6. Verhandeling over de Ziel (eind tweede of begin derde eeuw). Een interpretatie van het verhaal van de ziel, voortbouwend op de gnostische mythe van Psyche, vanaf haar hemelse oorsprong, via haar val naar de wereld, tot de beschrijving van haar terugkeer. De ziel wordt voorgesteld als een vrouw, die eerst een zuivere maagd was (bij haar hemelse Vader), toen zichzelf vervuilde door hoererij (verkeerde relaties tijdens haar leven in een lichaam op aarde), en die uiteindelijk tot inkeer kwam en trouwde met de door haar Vader gestuurde bruidegom uit de hemel (haar broer en de eerstgeborene uit het huis van de Vader), waardoor ze wedergeboren werd.
  7. Boek van Thomas (eind tweede of begin derde eeuw). Een dialoog tussen de opgestane (maar nog niet opgevaren) Jezus en zijn broer Judas Thomas, opgetekend door ene Mathaias, wiens identiteit verder niet bekend is. Het bevat zogezegd verborgen uitspraken van Jezus, met als centraal thema de afwijzing van alles wat te maken heeft met het vleselijke, met name seksualiteit. Ook het platonisch-gnostische thema van redding door zelfkennis klinkt in dit boek door. Wie tot die zelfkennis komt heeft de ‘Christus’ in zichzelf ontdekt, en kan daarom beschouwd worden als een tweelingbroer (een Thomas) van Jezus.

Nag Hammadi Codex III

  1. Geheime Boek van Johannes (zie Nag Hammadi Codex II.1 en IV.1 en het tweede geschrift in de Berlijnse Gnostische Codex). De tweede van in totaal vier versies van dit geschrift. Deze versie is korter dan die van Codices II en IV.
  2. Heilige Boek van de Grote Onzichtbare Geest (midden tweede eeuw). Een gnostisch geschrift afkomstig uit het sethianisme, ten onrechte soms ook wel het Evangelie der Egyptenaren genoemd. Het eerste deel schetst een theogonie vergelijkbaar met, maar ingewikkelder dan het Geheime Boek van Johannes (Nag Hammadi Codex II.1). Het tweede deel beschrijft de drie komsten van Seth (in de zondvloed, de vuurzee van Sodom en Gomorra, en de veroordeling van de heersende machten) om zijn ‘zaad’ (de heiligen) te redden. Jezus wordt in deze leer gezien als de derde komst van Seth, verwekt door het Woord (Logos).
  3. Eugnostus de Gezegende (waarschijnlijk eind eerste eeuw). Een filosofische verhandeling over God en zijn hemelrijk, geschreven door ene Eugnostus in de vorm van een als gezaghebbend bedoelde brief. Het geschrift opent met het bekritiseren van filosofische theorieën en benadrukt de waarheid als goddelijke openbaring in plaats van als menselijke constructie. Het hemelrijk wordt voorgesteld als bewoond door een aantal wezens (de Onverwekte Vader, de Zelfverwekte Vader, de Onsterfelijke Mens, de Zoon des Mensen, de Verlosser), elk met een groot aantal dienende machten, goden, en engelen.
  4. Wijsheid van Jezus Christus (zie het derde geschrift van de Berlijnse Gnostische Codex). Deze versie is niet compleet: vier pagina’s ontbreken en sommige andere pagina’s bevatten leemtes. De versie in de Berlijnse Gnostische Codex is in betere staat en wordt verderop nader besproken.
  5. Gesprek met de Verlosser (midden tweede of zelfs midden derde eeuw, hoewel sommigen vermoeden dat delen van de dialoog al dateren van eind eerste eeuw). Bevat zowel gnostische thema’s als opvattingen die overeenstemmen met de orthodoxe theologie. Het geschrift opent met een monoloog van de Verlosser maar is grotendeels een dialoog tussen hem en de discipelen. Slechts drie discipelen worden bij naam genoemd: Matteüs, Judas (waarschijnlijk Judas Thomas), en Maria (Magdalena). Naar laatstgenoemde wordt herhaaldelijk verwezen als degene die alles begreep.

Nag Hammadi Codex IV

  1. Geheime Boek van Johannes (zie Nag Hammadi Codex II.1 en III.1 en het tweede geschrift in de Berlijnse Gnostische Codex). Dit is de derde van in totaal vier versies van dit geschrift.
  2. Heilige Boek van de Grote Onzichtbare Geest (zie Nag Hammadi Codex III.2). Een tweede, onafhankelijke vertaling van de oorspronkelijke Griekse versie van dit geschrift. Beide kopieën zijn zwaar beschadigd (deze versie meer dan die in Codex III) maar bevatten samen voldoende gegevens om de tekst voor zo’n negentig procent te reconstrueren.

Nag Hammadi Codex V

  1. Eugnostus de Gezegende (zie Nag Hammadi Codex III.3). Deze versie van het geschrift is veel fragmentarischer (Codex V is over het algemeen van slechtere kwaliteit dan de andere codices). Het bevat meerdere leemtes en op sommige pagina’s heeft de inkt zijn kleur verloren.
  2. Openbaring van Paulus (midden tweede eeuw). Een allegorische interpretatie van de hemel-ervaring van de apostel Paulus waaraan hij refereert in zijn (in de Bijbel opgenomen) tweede brief aan de Korintiërs (hoofdstuk 12). Het geschrift opent met de uitnodiging aan Paulus van “de Geest die met hem is” voor een reis naar het hemelse Jeruzalem. In tegenstelling tot de tweede brief aan de Korintiërs, waarin gesproken wordt over een wegvoering tot in de derde hemel, gaat de reis in dit geschrift verder naar de vierde tot en met zelfs de tiende hemel. De beschrijving van Paulus’ ervaringen wekken echter af en toe de indruk van een reis naar de helse in plaats van de hemelse gewesten: in de vierde hemel wordt een ziel aangeklaagd en verworpen door andere zielen, en in de vijfde wedijveren ‘engelen’ met elkaar en hebben ze zwepen in hun handen om zielen naar hun veroordeling te drijven.
  3. Eerste Openbaring van Jakobus (tweede eeuw). Een reeks dialogen tussen Jezus en zijn (niet in fysieke zin) broer Jakobus, met tussendoor enkele korte, verhalende passages. De kern van dit geschrift is de toespraak van de opgestane Jezus over de betekenis van zijn lijden, om Jakobus voor te bereiden op zijn eigen lot en zijn uiteindelijke bevrijding.
  4. Tweede Openbaring van Jakobus (tweede eeuw). Dit geschrift begint met een verslag van een toespraak van Jakobus in Jeruzalem, opgetekend door ene Mareim en door een anonieme priester doorgegeven aan Theudas, de vader van Jakobus. In de toespraak legitimeert Jakobus zich als de verkondiger van ware gnosis en doet hij verslag van een speciale openbaring van de opgestane Jezus aan hem. Zijn woorden wekken de woede op van zijn toehoorders, die hem beschuldigen van godslastering en hem uiteindelijk stenigen. Het geschrift eindigt met het gebed dat Jakobus uitspreekt tijdens zijn steniging.
  5. Openbaring van Adam (eind eerste of begin twee eeuw, met interpolaties van later datum). Een vermeende openbaring over de toekomst, die Adam (de eerste mens) in een droom ontving en die hij doorgaf aan zijn geliefde zoon Seth, in het zevenhonderdste jaar. Dit geschrift is duidelijk afkomstig uit het sethianisme, een gnostische stroming die Seth beschouwde als de enige zoon van Adam aan wie de goddelijke vonk van gnosis was doorgegeven, en waarvan de leden zichzelf zagen als diens uitverkoren nazaten. Na een inleidende toespraak over de schepping van Adam en Eva handelt deze openbaring over de komst van Noach en de vloed, de verdeling van de aarde onder diens zonen, de rampen van vuur, zwavel, en asfalt die hen later zullen treffen, en over de lichtwezens die redding zullen bieden aan de uitverkorenen.

Nag Hammadi Codex VI

  1. Handelingen van Petrus en de Twaalf Apostelen (eind tweede of begin derde eeuw). Een allegorische verhandeling met als centraal thema de weg van de verlossing. Het beschrijft een reis die Petrus met zijn mede-apostelen maakt ter vervulling van de opdracht van Jezus om uit te gaan en het evangelie te verkondigen. Tijdens deze reis komen ze bij een stad waar ze een koopman ontmoeten die parels aanbiedt en hen de weg wijst naar zijn eigen stad. Vanwege het grote gevaar van rovers is de weg het beste af te leggen door geen enkele bezittingen mee te nemen. Als de apostelen bij de betreffende stad zijn aangekomen verschijnt de koopman opnieuw en onthult hij zich als Jezus Christus. Hij geeft de apostelen de opdracht om terug te gaan naar de vorige stad en de mensen te genezen en te onderwijzen.
  2. Donder: Volmaakt Bewustzijn (eind tweede of begin derde eeuw). Een geschrift dat qua literair genre sterk afwijkt van de overige geschriften in de Nag Hammadi verzameling. Het bestaat voor het grootste gedeelte uit zelfomschrijvingen in de eerste persoon enkelvoud, vermoedelijk van een vrouwelijk wezen, afgewisseld met vermaningen en verwijten aan onbekende toehoorders. De stijl doet denken aan de joodse wijsheidsliteratuur. De spreekster stelt zichzelf voor als degene die gezonden is door de Kracht, en die gekomen is tot degenen die haar overdenken, en gevonden wordt onder degenen die haar zoeken. Verderop beschrijft de spreekster zich onder andere als de wijsheid van de Grieken en de kennis van de barbaren.
  3. Authentieke Leer (eind tweede of begin derde eeuw). Behelst dezelfde gnostische thematiek en terminologie als de Verhandeling over de Ziel (Nag Hammadi Codex II.6). Het vertelt het verhaal van de ziel (Psyche), vanaf haar hemelse begin, via haar val in de mismaakte en misleidende wereld, tot haar terugkeer naar haar volmaakte oorsprong. Een van de hoofdthema’s is de ziekelijkheid van de ziel, in het bijzonder haar blindheid (symbool voor onwetendheid), waarvan ze genezen wordt door de voedende en medicinale werking van het Woord (Logos). De beschrijvingen van de wederwaardigheden van de ziel worden afgewisseld met wijze spreuken en gezegden.
  4. Begrip van Onze Grote Kracht (midden vierde eeuw). Een apocalyptisch geschrift waarin de Grote Kracht (de allerhoogste God) de heilsgeschiedenis verwoordt. Het opent met een schets van de schepping van de wereld, waarin Bijbelse feiten worden vermengd met de elementen uit de Griekse filosofie: water, aarde, lucht, en vuur, waarvan het laatste vooral aanwezig is in de onderwereld. De geschiedenis wordt vervolgens ingedeeld in twee perioden: die van het vlees (de periode van voor de zondvloed) en die van de ziel (de periode na de zondvloed). De ziel wordt verontreinigd door zijn verbintenis met het lichaam. Er komt een mens die de Kracht kent (een verwijzing naar Christus), en die vervolgd wordt door de heerser van de onderwereld, maar uiteindelijk overwint. Dan volgt de komst van een imitator (een verwijzing naar de antichrist) die de mensen misleidt. Maar allen die de Kracht kennen worden gered.
  5. Fragment uit Plato’s Republiek. Een koptische versie van (een deel van) een gelijkenis van Socrates zoals oorspronkelijk beschreven in Plato’s dialoog De Republiek (vierde eeuw voor Christus). In het verhaal vergelijkt Socrates de ziel met een drievormig schepsel: een veelhoofdig beest (symbool voor de lagere hartstochten), een leeuw (de hogere passies van moed), en een mens (de rede). De conclusie van het verhaal is dat de mens (de rede) zou moeten heersen over de andere aspecten van de ziel. Deze koptische versie verschilt aanzienlijk van het ons bekende Griekse origineel. Sommigen menen dat de vertaler de Griekse tekst niet begrepen heeft. Anderen geloven dat er opzettelijk gnostische interpretaties aan toegevoegd zijn.
  6. Verhandeling over de Achtste en de Negende (tweede eeuw). Een dialoog tussen een ‘vader’ (ook wel Hermes of Trismegistus genoemd) en een ‘zoon’ (niet bij name genoemd). De laatste is een reeds gevorderde leerling die nog een laatste stap naar perfectie moet maken, namelijk de inwijding in de goddelijke mysteries van de ‘achtste’ en de ‘negende’ (waarmee de hoogste hemelsferen worden bedoeld), waardoor hij een nieuw persoon wordt, direct geïnspireerd door Gods gedachten. Het geschrift bestaat grotendeels uit gebeden en lofprijzingen aan God, afgewisseld met extatische visioenen.
  7. Dankgebed (tweede eeuw). Een kort dankgebed, hier als epiloog toegevoegd aan het voorgaande geschrift, maar van oorsprong een onafhankelijk geschrift, bedoeld om in verschillende contexten te worden gebruikt.
  8. Fragment uit De Volmaakte Leer (eind derde eeuw). Een gedeelte uit een belangrijk geschrift (de volledige versie is bekend uit andere bronnen) van een religieuze stroming die bekend staat als het hermetisme. Bevat onderwijzingen van de mythische Hermes Trismegistus aan zijn belangrijkste volgelingen, Asclepius, Tat, en Ammon, over de weg naar de allerhoogste God. De aanwijzingen beperken zich tot de eerste stappen: de noodzaak van kennis (gnosis), vroomheid, en het mediteren over de zichtbare afbeeldingen van het onzichtbare. Het geschrift is duidelijk van Egyptische afkomst (het bevat verschillende voorspellingen over Egypte, en de namen van de drie volgelingen zijn afgeleid van Egyptische goden) maar vertoont ook Griekse invloeden (de goden Hermes en Zeus).

Nag Hammadi Codex VII

  1. Omschrijving van Sem (eerste helft derde eeuw). Een openbaring van Derdekeas, zoon van het oneindige Licht, aan Sem, zoon van Noach. Dit fictieve verhaal presenteert een kosmogonie (leer over het ontstaan van de kosmos), een antropogonie (leer over het ontstaan van de mensheid), en een interpretatie van de geschiedenis, met als hoofdthema’s de zondvloed, de vernietiging van Sodom, de doop van de Verlosser, en de opgang van de Verlosser door diens kruisiging. Het geschrift lijkt deels geïnspireerd door verschillende gnostische stromingen, met name het sethianisme en valentinianisme, maar bevat veel alternatieve opvattingen (zoals de totale verwerping van doopriten), die wijzen in de richting van het manicheïsme.
  2. Tweede Verhandeling van de Grote Seth (tweede helft tweede eeuw). Een toespraak waarin de Christus (in eerste persoon enkelvoud) zogezegd de ware betekenis van de kruisiging verkondigt. Net als in vele andere gnostische geschriften, met name uit het sethianisme, wordt Jezus gezien als de incarnatie van de hemelse Seth (vandaar de titel van dit geschrift). In tegenstelling tot de theologie van de orthodoxe kerk wordt hier de docetische opvatting geleerd dat de Christus niet werkelijk maar slechts ogenschijnlijk leed en stierf. De heersers van de wereld executeerden niet hém, maar slechts het lichaam van de mens Jezus waarin hij woonde.
  3. Openbaring van Petrus (eind tweede of begin derde eeuw). Een openbaring van de Verlosser aan de apostel Petrus over de ware betekenis van de kruisiging en de aard van het echte christendom. Dit geschrift verkondigt vergelijkbare docetische opvattingen als de Tweede Verhandeling van de Grote Seth (het voorgaande geschrift). In het visioen ziet Petrus dat Jezus wordt gearresteerd en gekruisigd, maar ontdekt vervolgens iemand boven het kruis, die lacht. De Verlosser legt uit dat degene boven het kruis de levende Jezus is, de dienaar van de ware Verlosser, die niet leed en stierf, maar die onsterfelijk is. Degene aan het kruis is slechts zijn vleselijke verschijning. In het geschrift wordt veel kritiek geuit op de kerk, die mensen zou misleiden met de leer over een dode man, de gekruisigde Christus.
  4. Onderwijzingen van Silvanus (eind derde eeuw, maar bevat materiaal van veel eerder datum, mogelijk zelfs uit de eerste eeuw). Een van de weinige niet-gnostische geschriften in de Nag Hammadi verzameling. Het is qua vorm vergelijkbaar met de joodse wijsheidsliteratuur, zoals het Bijbelboek Spreuken, waarin een onderwijzer instructies en vermaningen doorgeeft aan zijn leerling, die meestal aangesproken wordt als “mijn zoon” of “mijn kind”. Het eerste gedeelte bevat voornamelijk morele onderwijzingen, met stoïcijnse en platonische invloeden, waaraan christelijke kenmerken zijn toegevoegd. Het tweede gedeelte is meer theologisch van aard en weerspiegelt de leringen van de derde-eeuwse kerkvaders Clemens en Origenes. Het geschrift roept de leerling vooral op om Christus te volgen.
  5. Drie Stèles van Seth (begin derde eeuw). Een verzameling van drie doxologische hymnen van Seth, die hier de vader wordt genoemd van de levende en onwrikbare generatie, ofwel degenen (de uitverkorenen) van de ware kennis (gnosis). De hymnen zijn gericht aan Pigeradamas (de hemelse Adam, vader van Seth), en de drie leden van de sethiaanse drieëenheid, namelijk de Zoon (de Zelfverwekte), de Moeder (Barbelo), en de Vader (de Onverwekte).

Nag Hammadi Codex VIII

  1. Zostrianus (eind tweede of begin derde eeuw). Een verslag van de spirituele reis van Zostrianus (zoon van Yolaos, en vader van Armenios, volgens Plato’s Republiek de vader van Er de Pamfylische, later vereenzelvigd met Zoroaster). Het beschrijft een reeks openbaringen en visioenen van transcendente wezens die Zostrianus ontmoet tijdens zijn opklimming naar steeds hogere hemelse niveaus. Op elk niveau wordt hij onderwezen over het karakter ervan, en over de bijbehorende spirituele inwoners, met wie hij wordt vereenzelvigd. Elke stap van de opgang wordt gekenmerkt door bepaalde dopen en bezegelingen. Het manuscript is overigens zwaar beschadigd en bevat veel lacunes.
  2. Brief van Petrus aan Filippus (eind tweede of begin derde eeuw). Opent zogezegd als brief van de apostel Petrus aan de apostel Filippus, maar de feitelijke briefvorm beperkt zich slechts tot de eerste paar zinnen. Daarin wordt opgeroepen om bijeen te komen om te onderwijzen en te preken over de redding die Jezus Christus had beloofd. Daarna gaat dit korte geschrift over op een meer verhalende stijl, grotendeels in de vorm van een dialoog tussen de apostelen en de herrezen Jezus, waarvan de inhoud duidelijk gnostische invloeden vertoont.

Nag Hammadi Codex IX

  1. Melchizedek (eind tweede of begin derde eeuw). Een openbaring toegeschreven aan de persoon die in het Bijbelboek Genesis de priester van de allerhoogste God wordt genoemd. Het begint met de openbaring van de engel Gamaliël over het werk van Jezus Christus (die hier uitdrukkelijk als Zoon van God wordt aangeduid). Ondanks de duidelijk sethiaanse grondslag van dit geschrift verkondigt het de (antidocetische) boodschap van de realiteit van Jezus’ aardse leven, zijn dood, en zijn opstanding. Verder bevat het verschillende lofprijzingen en vermaningen. Het manuscript is zwaar beschadigd en op veel plekken blijft de interpretatie van de tekst giswerk.
  2. Gedachte van Norea (eind tweede of begin derde eeuw). Een heel kort geschrift (slechts tweeënvijftig regels) over Norea, in het sethianisme doorgaans beschouwd als de vrouw-zus van Seth, en vereenzelvigd met Sophia, de van oorsprong goddelijke maar gevallen Wijsheid, die eens samen met haar spirituele nageslacht zal worden hersteld in het koninkrijk der goden.
  3. Getuigenis der Waarheid (eind tweede of begin derde eeuw). Een geschrift van een onbekende auteur die graag zijn versie van de waarheid wil verkondigen, en die zich met veel retoriek keert tegen de orthodoxe kerk, maar ook tegen verschillende gnostische stromingen. De tekst getuigt van een grote afkeer van seksualiteit, huwelijk, en voortplanting, en roept op tot een maagdelijk leven. Ook keert de schrijver zich tegen de waterdoop en ontkent hij de door de kerk verkondigde lichamelijke opstanding. Volgend op de aansporing om op zoek te gaan naar de waarheid achter de mysteries in de heilige geschriften worden kritische vragen gesteld bij een aantal Bijbelse verhalen. Het manuscript van dit geschrift is overigens zwaar beschadigd en bijna de helft van de tekst is moeilijk tot niet te reconstrueren.

Nag Hammadi Codex X

  1. Marsanes (eind derde of begin vierde eeuw). Het enige geschrift in deze tiende en zwaar beschadigde codex. Deze openbaringsdialoog in eerste, enkelvoudige persoonsvorm heeft als doel om de autoriteit van de schrijver, naar verluidt de profeet-mysticus Marsanes, te bevestigen als leider en onderwijzer van een kleine groep sethiaanse gnostici. Het beschrijft de ware aard van de goddelijke en kosmische hiërarchie en verzekert de toehoorder van zijn uiteindelijke redding. De schrijver baseert zijn uiteenzetting op zowel vermeende persoonlijke spirituele ervaring als op doctrines uit eerder sethiaanse geschriften, met name Zostrianus (Nag Hammadi Codex VIII.1) en Allogenes (Nag Hammadi Codex XI.3).

Nag Hammadi Codex XI

  1. Vertolking van de Kennis (eind tweede eeuw). Een preek van een onbekende auteur. Het hoofdthema van het geschrift is nederigheid. Ook daaraan gerelateerde onderwerpen zoals dienstbaarheid worden besproken. De tekst getuigt van mogelijke sociale spanningen, zowel tussen de door de prediker aangesproken gemeenschap en andere groeperingen, alsook tussen de leden van de gemeenschap onderling. Het geschrift toont veel parallelen met andere gnostische geschriften uit valentiniaanse hoek. De manuscripten van Codex XI zijn overigens zwaar beschadigd, en ook van dit geschrift is meer dan de helft verloren gegaan.
  2. Valentiniaanse Verhandeling (de datering van dit geschrift is moeilijk gebleken maar men vermoedt een ontstaanperiode ergens tussen de tweede helft van de tweede eeuw en de eerste helft van de vierde eeuw). Een verwoording van het valentiniaans-mythische geloofssysteem, van protologie (leer over het begin der dingen) tot en met eschatologie (leer over het einde der dingen). Het wijkt op bepaalde punten af van het ‘standaard’ valentinianisme. Aan het geschrift zijn vijf liturgische lezingen toegevoegd, over de zalving (één lezing), de waterdoop (twee lezingen), en de eucharistie (twee lezingen), die tezamen vermoedelijk gebruikt werden bij het valentiniaanse inwijdingsritueel.
  3. Allogenes (eerste helft derde eeuw). Een vertelling van de opgang van Allogenes naar hemelse sferen en van de openbaringen die hij ontvangt van verschillende goddelijke wezens. De naam Allogenes (letterlijk ‘ander nageslacht’), is ongetwijfeld een verwijzing naar Seth (zoals genoemd in het Bijbelboek Genesis 4:25). De hoofdfunctie van het geschrift is om de lezer een voorbeeld te geven van spirituele groei. Het geschrift lijkt te zijn geïnspireerd door het soort openbaringen zoals in bepaalde dialogen van Plato, en wordt daarom wel gerekend tot de platoniserende sethiaanse geschriften.
  4. Hypsiphrone (begin vierde eeuw). Zoals aangegeven in de openingszinnen, een boek over de dingen die Hypsiphrone heeft gezien toen deze haar werden geopenbaard in haar plaats van maagdelijkheid, de plaats die ze verliet om de wereld beneden te onderzoeken. De naam van de hoofdfiguur is afgeleid uit het Grieks en heeft de betekenis van ‘vrouw met een grote geest’, volgens sommige vertalers mogelijk in de zin van ‘hooghartig’. Het geschrift is dermate kort en in slechte staat dat er verder weinig valt te zeggen over de inhoud.

Nag Hammadi Codex XII

  1. Spreuken van Sextus (begin derde eeuw). Zoals bekend uit andere bronnen was dit geschrift oorspronkelijk een verzameling van zeshonderdtien spreuken, of aforismen, waarvan in deze codex nog geen kwart bewaard is gebleven, en bovendien in slechte conditie. De spreuken handelen over het juiste religieuze en morele gedrag. Het geschrift is toegeschreven aan ene Sextus, vroeger foutief vereenzelvigd met de rooms-katholieke paus Sixtus II (regerend van 257-258 na Christus), maar wiens ware identiteit tegenwoordig een vraagstuk is. Veel van de spreuken vertonen grote overeenkomsten met spreuken uit andere, niet-christelijke bronnen, die hier verchristelijkt zijn.
  2. Evangelie der Waarheid (zie Nag Hammadi Codex I.3). Fragmenten van een andere koptische vertaling van dit oorspronkelijk Griekse geschrift.
  3. Fragmenten. Een aantal korte (en gehavende) fragmenten die men niet heeft kunnen thuisbrengen bij de voorgaande twee geschriften in de codex en waarvan men zelfs niet heeft kunnen vaststellen of ze uit één of wellicht meerdere oorspronkelijke geschriften afkomstig zijn.

Nag Hammadi Codex XIII

  1. Drievormige Eerste Gedachte (midden tweede eeuw). Een vroeg-sethiaans geschrift in de vorm van een driedelige aretalogie (een voordracht in eerste persoon over de krachten, daden, en de karakteristieke eigenschappen) van Protennoia-Barbelo, ofwel de Eerste Gedachte van de belangrijkste godheid (de Onzichtbare Geest) van de sethiaanse gnostiek. Het bevat tussendoor tevens zes verhalende gedeelten (in derde persoon) van meer leerstellige aard.
  2. Over de Oorsprong van de Wereld (zie Nag Hammadi Codex II.5). Slechts een kort fragment van de volledige versie van het geschrift in Codex IIBerlijnse Gnostische Codex
  1. Evangelie van Maria (tweede eeuw). Voor zover bekend het enige evangelie dat ooit aan een vrouw (Maria Magdalena) is toegeschreven. De geleerden zijn het er echter over eens dat dit evangelie niet door haar geschreven is, en überhaupt niet afkomstig is van een joodse schrijver, maar dat het ontstaan is in een milieu van tot het christendom bekeerde heidenen. De tekst beschrijft een verschijning van de Verlosser aan zijn discipelen, waarin hij antwoorden geeft op hun vragen en een afscheidstoespraak houdt, alvorens hun de opdracht te geven om eruitop te gaan en de blijde boodschap te verkondigen. Daarna vraagt Petrus aan Maria om te vertellen over eventuele onderwijzingen van Jezus aan haar, waarvan de andere discipelen nog geen weet hebben. De waarheid van Maria’s woorden wordt vervolgens in twijfel getrokken door Andreas en Petrus. Maar Levi verdedigt haar en vermaant ze om hun opdracht te vervullen.
  2. Geheime Boek van Johannes (zie Nag Hammadi Codex II.1, III.1, IV.1). De vierde van in totaal vier versies van dit geschrift. Deze versie is wat korter dan die in Nag Hammadi Codices II en IV.
  3. Wijsheid van Jezus Christus (gezien de sterke afhankelijkheid van andere geschriften, in het bijzonder Eugnostus de Gezegende maar ook de aprocriefe evangeliën en het Geheime Boek van Johannes, dateert dit geschrift waarschijnlijk van midden derde eeuw). Een dialoog tussen de opgestane Verlosser (verschijnend als een engel van licht) en de twaalf discipelen en zeven vrouwelijke volgelingen. De leerlingen krijgen antwoord op hun vragen over de aard van de kosmos en Gods reddingsplan.
  4. Handeling van Petrus (eind tweede eeuw). Een kort verhaal over de apostel Petrus en zijn dochter. Iemand uit de op een zondag bij elkaar gekomen menigte neemt het Petrus kwalijk dat hij zoveel mensen geneest, maar dat hij zijn eigen halfverlamde dochter negeert. Dan geneest Petrus ook zijn dochter, om de mensen de macht van God te laten zien, maar geeft haar vervolgens de opdracht om weer te worden zoals ze was. Daarna legt Petrus uit waarom haar invaliditeit een zegen was en is: ze zou anders voor velen een verleiding zijn.

Tchacos Codex

  1. Brief van Petrus aan Filippus (zie Nag Hammadi Codex VIII.2). Een tweede versie van de brief, die op een aantal plaatsen kleine verschillen vertoont met de versie in de Nag Hammadi verzameling.
  2. Eerste Openbaring van Jakobus (zie Nag Hammadi Codex V.3). Een tweede versie van dit geschrift, waarvan het slotgedeelte aanzienlijk meer tekst bevat dan de versie in de Nag Hammadi verzameling.
  3. Evangelie van Judas (midden tweede eeuw). Geen evangelie van de hand van Judas, maar een evangelie óver Judas, zijn relatie tot Jezus, en zijn vermeende rol in het verhaal van de laatste dagen van Jezus. De tekst beschrijft naar eigen zeggen de geheime openbaringen van Jezus aan Judas, gedurende een week, tot drie dagen voor de kruisiging. Waar Judas in de Bijbelse evangeliën wordt beschreven als de afvallige discipel die Jezus verraadde, wordt hij hier voorgesteld als een getrouwe, die slechts zijn plicht vervult om de spirituele Jezus te bevrijden van zijn vleselijke verschijningsvorm. Deze voorstelling van zaken, alsmede de kosmologische uiteenzettingen, verraden de sethiaans-gnostische inslag van dit geschrift.
  4. Boek van Allogenes (tweede eeuw). De naam Allogenes (letterlijk ‘ander nageslacht’, ook in de zin van vreemdeling in deze wereld), is in de gnostische geschriften doorgaans een benaming van Seth, de goede zoon van Adam en Eva, ook wel geassocieerd met Jezus Christus. Van dit zwaar beschadigde geschrift zijn slechts een paar fragmenten bewaard gebleven. Ze beschrijven achtereenvolgens een gebed om een geest van kennis, de verzoekingen van de Satan aan het adres van Allogenes, en de verheerlijking van Allogenes.Verizine
Toon meer

Related Articles

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close